COLUMN | Wethouder Relus Breeuwsma, het is vijf voor twaalf in De Baronie: grijp eindelijk in

Wie vandaag door De Baronie loopt, merkt het direct: voetgangers zijn hun gevoel van veiligheid kwijtgeraakt. Fatbikes schieten langs winkelpuien, elektrische fietsen zigzaggen tussen mensen door en bakfietsen manoeuvreren zich met hoge snelheid langs ouderen, kinderen en winkelend publiek. Bezoekers moeten geregeld opzij stappen om een botsing te voorkomen.
Maar het probleem blijft niet beperkt tot De Baronie.
Ook rond winkelcentrum De Atlas, winkelcentrum Herenhof, en de Julianastraat nemen de signalen toe. Bezoekers beschrijven vergelijkbare situaties: fietsers die door drukke winkelgebieden rijden alsof er geen verkeersregels gelden. Vooral fatbikes en elektrische fietsen worden daarbij genoemd als bron van gevaarlijke situaties. De vraag die steeds vaker klinkt: waarom wordt hier niet of nauwelijks gehandhaafd?
Ondertussen blijft het vanuit de gemeente opvallend stil.
Dat maakt de positie van wethouder Relus Breeuwsma steeds lastiger uit te leggen. Als verantwoordelijk bestuurder voor verkeer, mobiliteit en openbare ruimte komt onvermijdelijk de vraag op tafel of de huidige aanpak voldoende is om de veiligheid in drukke winkelgebieden te waarborgen. Want de discussie gaat inmiddels niet meer alleen over hinder of irritatie, maar over de beleving van openbare veiligheid.
De signalen zijn er al geruime tijd, zeggen bewoners en ondernemers. Ouderen voelen zich onveilig, ouders houden hun kinderen dichterbij, en winkeliers zien dagelijks situaties die zij als risicovol ervaren. Tegelijkertijd groeit het gevoel dat regels in de praktijk niet overal even consequent worden gehandhaafd.
Daar wringt het volgens veel inwoners: er wordt geïnvesteerd in de uitstraling van winkelgebieden — nieuwe bestrating, vergroening, herinrichting en vernieuwing — maar de vraag is wat die investeringen waard zijn als de basisveiligheid niet als vanzelfsprekend wordt ervaren.
De realiteit die veel mensen schetsen is dat fietsers weten dat handhaving beperkt zichtbaar is. Daardoor ontstaat ruimte voor gedrag dat als gevaarlijk wordt ervaren in drukke voetgangersgebieden. Of er daadwerkelijk sprake is van structureel tekortschietende handhaving, is een politieke en bestuurlijke vraag die om duiding vraagt, maar het gevoel onder inwoners is duidelijk: het vertrouwen in de regels staat onder druk.
En daarmee groeit ook de zorg dat het vroeg of laat echt misgaat. Een botsing met een kind, een valpartij van een oudere, of een incident in de drukte — scenario’s die inwoners niet langer als hypothetisch beschouwen, maar als reëel risico dat boven de winkelgebieden hangt.
Dat brengt de discussie terug naar het bestuur en de verantwoordelijkheden die daarbij horen. In dat licht wordt steeds nadrukkelijker de vraag gesteld:
“Wethouder Relus Breeuwsma bent u niet verantwoordelijk voor Coördinatie Buitengebied, Verkeer en vervoer, Mobiliteit (infrastructuur, vaarwegbeheer en parkeren), Openbare ruimte, Gebiedsgericht werken en denken?”
En juist die vraag raakt de kern van het debat: niet alleen wat er in de winkelgebieden gebeurt, maar ook wie er verantwoordelijkheid draagt voor het bewaken van de veiligheid in die openbare ruimte — en welke maatregelen daarbij horen, voordat het vertrouwen verder afbrokkelt.
Xaverio.
