Daar gaan we. De Gemeente Alphen aan den Rijn “verkent” locaties voor zonne-energie langs de Rijksweg A4 en de Rijksweg N11. Verkennen. Tenderstrategie. Participatie. Het bestuurlijke equivalent van: we hebben de richting al gekozen, nu zoeken we nog een manier om het te verkopen.
Want laten we elkaar geen sprookjes vertellen. Gemeenten steken geen ambtelijke uren in “verkennen” als ze niet de intentie hebben om uiteindelijk grond beschikbaar te stellen. Een tenderstrategie schrijf je niet voor de bureaula. Dat is het startschot voor marktpartijen, subsidieaanvragen en businesscases. Het is de opmaat naar exploitatie.
Exploitatie van wat? Van open landschap. Van de laatste stukken polder die Alphen nog ademruimte geven.
Het landschap als reststrook
Het argument is voorspelbaar: het ligt “toch al langs de snelweg”. Alsof alles wat naast asfalt ligt automatisch afgeschreven terrein is. Alsof de strook langs de Rijksweg A4 geen landschap meer is, maar een niemandsland dat wacht op industriële invulling.
Dat is een gevaarlijke redenering. Want als we eenmaal accepteren dat snelwegranden vogelvrij zijn, dan is de volgende stap logisch: iets verder van de weg kan ook nog wel. En nog een stukje. Totdat de horizon een raster van glas en staal is.
Zonnevelden zijn geen romantische plaatjes uit een duurzaamheidsbrochure. Het zijn industriële installaties. Hectares panelen in militaire opstelling. Omheind. Beveiligd. Vol kabels, omvormers en transformatorhuisjes. Ze maken van een polder geen natuurgebied, maar een energieplantage.
En ja, de energietransitie is noodzakelijk. Maar noodzakelijk betekent niet grenzeloos.
Tenderstrategie: volg het geld
Zodra het woord “tender” valt, weet je genoeg. Dat betekent marktwerking. Dat betekent ontwikkelaars die plannen indienen op basis van rendement. Dat betekent subsidies die moeten worden binnengehaald. Dit gaat niet alleen over klimaat, dit gaat over businessmodellen.
Wie verdient eraan? Grote energiebedrijven? Investeringsfondsen? Projectontwikkelaars die over tien jaar weer verdwenen zijn?
En wie levert in? Inwoners die hun uitzicht zien veranderen. Boeren die hun grond onder druk voelen staan. Een stad die steeds meer verrommelt aan de randen.
We moeten ophouden met doen alsof zonnevelden een puur ideële keuze zijn. Het is een economische activiteit met winnaars en verliezers. En tot nu toe worden die verliezers zelden expliciet benoemd.
Participatie of praatplaat?
Dan het magische woord: participatie.
Inwoners mogen “meedenken”. Maar waarover precies? Over de kleur van het hek? Over hoeveel struiken eromheen komen? Of mogen ze ook zeggen: we willen dit hier niet?
Echte participatie betekent dat de uitkomst nog openligt. Dat “nee” een optie is. Dat alternatieven serieus worden onderzocht — bijvoorbeeld eerst alle daken vol, parkeerterreinen overkappen, bedrijventerreinen benutten — voordat we de polder opofferen.
Te vaak is participatie een processtap, geen machtsdeling. Een informatieavond met posters en koffie, waarna het traject gewoon doorgaat.
Wethouder Gert van den Ham zegt dat kwaliteit van landschap en leefomgeving centraal staat. Dat is een stevige uitspraak. Want als dat écht leidend is, dan moet de gemeente ook harde grenzen trekken. Dan moet er een rode lijn zijn: hier blijft het open.
Hoeveel is genoeg?
De fundamentele vraag wordt zelden gesteld: hoeveel zonnevelden is genoeg? Wanneer zeggen we: de opgave is ingevuld, de grens is bereikt?
Want de energietransitie kent geen natuurlijke rem. Meer opwek is altijd welkom. Meer megawatt is altijd beter. Maar landschap is eindig. Open ruimte is eindig. Vertrouwen van inwoners is ook eindig.
Alphen staat op een kruispunt. Wordt het een gemeente die zorgvuldig balanceert tussen duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit? Of wordt het een gemeente die elke beschikbare vierkante meter langs de Rijksweg N11 en de Rijksweg A4 ziet als potentiële energiegrond?
Dit gaat over identiteit
Dit debat gaat niet alleen over zonnepanelen. Het gaat over wat voor gemeente we willen zijn. Een stad met een open, herkenbaar landschap. Of een stad die haar randen vollegt met wat op dat moment beleidsmatig scoort.
Duurzaamheid mag geen vrijbrief worden voor ruimtelijke achteloosheid. Klimaatbeleid zonder landschapsvisie is kortzichtig beleid.
Als de gemeente werkelijk moed wil tonen, dan begint dat niet met “verkennen waar het kan”, maar met vastleggen waar het níet mag. Met duidelijke grenzen. Met prioriteit voor daken, bestaande bebouwing en slimme combinaties boven het simpelweg aanwijzen van open grond.
Want één ding is zeker: als we nu achteloos omgaan met onze polder, krijgen we hem nooit meer terug.
De zon levert energie. Maar visie – of het gebrek daaraan – bepaalt wat we onderweg verliezen.


