Migratie zorgt voor ruim 60 procent van groei woningvoorraad: EIB onderzoekt gevolgen voor woningmarkt
Foto: EIB
Migratie heeft de afgelopen tien jaar een grote invloed gehad op de Nederlandse woningmarkt. Volgens een nieuw rapport van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) woonden migranten die tussen 2015 en 2024 naar Nederland kwamen, in 2024 samen in naar schatting 435.000 zelfstandige woningen. Dat is ruim 60 procent van de groei van de Nederlandse woningvoorraad in die periode. Ook voor de komende tien jaar verwacht het EIB dat migratie een belangrijke factor blijft in de vraag naar woningen.
Het rapport Migratie en de woningmarkt, opgesteld door Taco van Hoek en Sem van Meurs en gepubliceerd in oktober 2026, brengt in kaart hoeveel woningen verschillende groepen migranten bewonen en hoe de woningvraag zich de komende jaren kan ontwikkelen. De onderzoekers benadrukken dat niet alleen de instroom van migranten van belang is, maar ook hoeveel mensen Nederland weer verlaten en hoe hun woonsituatie in de loop der tijd verandert.
2,2 miljoen migranten kwamen naar Nederland
Tussen 2015 en 2024 verhuisden ruim 2,2 miljoen buitenlandse migranten naar Nederland. Ongeveer 800.000 van hen hadden het land in 2024 alweer verlaten. De overgebleven groep bewoonde naar schatting 435.000 zelfstandige woningen. Daarnaast verbleven migranten in opvangvoorzieningen, waardoor zij nog niet allemaal op de reguliere woningmarkt waren aangewezen.
De Nederlandse woningvoorraad groeide in dezelfde periode met bijna 700.000 woningen. Volgens de berekeningen van het EIB was daarmee ruim 60 procent van deze uitbreiding nodig voor de woningvraag van migranten die sinds 2015 naar Nederland waren gekomen.
Migranten wonen gemiddeld met meer personen in één woning dan de Nederlandse bevolking als geheel. Volgens het rapport gaat het bij migranten om gemiddeld ongeveer drie personen per woning, tegenover gemiddeld 2,1 personen in Nederland. Dat komt onder meer doordat arbeidsmigranten en internationale studenten regelmatig een woning delen. Naarmate mensen langer in Nederland verblijven, kan die situatie veranderen. Zo gaan sommige migranten zelfstandig wonen of vormen zij een gezin.
Arbeidsmigratie en asielmigratie vragen beide veel woningen
Het rapport maakt onderscheid tussen verschillende groepen, waaronder arbeidsmigranten, kennismigranten, internationale studenten, asielmigranten en vluchtelingen uit Oekraïne.
Arbeidsmigranten vormden in 2024 de grootste groep als het gaat om het geschatte aantal bewoonde woningen. Zij bewoonden naar schatting 115.000 woningen. Voor asielmigranten kwam de schatting uit op 105.000 woningen. Internationale studenten bewoonden ongeveer 80.000 woningen en kennismigranten circa 60.000. Ook andere migrantengroepen deden een beroep op de woningvoorraad.
Volgens het EIB ontstaat een ander beeld wanneer niet alleen naar de instroom, maar ook naar het vertrek uit Nederland wordt gekeken. Arbeids-, kennis- en studiemigranten verlaten Nederland relatief vaak na enkele jaren. Van de kennismigranten die naar Nederland komen, is na vijf jaar ruim de helft weer vertrokken. Bij arbeidsmigranten gaat het om ongeveer 60 procent en bij studiemigranten om circa 70 procent.
Bij asielmigranten ligt dat anders. Van de statushouders die zich in Nederland vestigen, vertrekt slechts een klein deel weer uit het land. Daardoor stapelt de woningvraag van deze groep zich over de jaren sterker op. Het EIB concludeert dat de structurele woningvraag van asielmigratie daardoor in de buurt komt van die van arbeidsmigratie, ondanks een lagere instroom.
Verschillende groepen zoeken verschillende woningen
De woningvraag verschilt ook per groep. Volgens het rapport komt ruim 90 procent van de asielmigranten die na het verkrijgen van een verblijfsvergunning de zelfstandige woningmarkt betreden, terecht in de sociale huursector. Daarmee neemt de druk op dit segment toe, waar de wachttijden al lang zijn.
Arbeidsmigranten en internationale studenten zijn juist vooral aangewezen op huurwoningen in de vrije sector. De onderzoekers wijzen erop dat het aanbod van deze woningen de afgelopen jaren sterk is afgenomen. Dat maakt het voor deze groepen moeilijker om passende woonruimte te vinden.
Het rapport benoemt daarnaast een dubbel effect van arbeidsmigratie. Buitenlandse arbeidskrachten vragen niet alleen om woningen, maar leveren ook een bijdrage aan de bouwsector. Volgens het EIB werken ongeveer 100.000 buitenlandse arbeidskrachten in de bouw. Dat is bijna een vijfde van de totale werkgelegenheid in deze sector.
Ook mensen in opvang kunnen later een woning nodig hebben
De berekende woningvraag omvat niet iedereen die uiteindelijk mogelijk een zelfstandige woning nodig heeft. Een deel van de asielzoekers verblijft nog in opvangvoorzieningen en heeft nog geen zelfstandige woning betrokken. Ook statushouders kunnen in een opvanglocatie wachten op woonruimte.
Het EIB wijst erop dat deze groep later alsnog op de woningmarkt terecht kan komen. Daardoor kan de woningvraag in de komende jaren verder toenemen. Ook voor een deel van de vluchtelingen uit Oekraïne kan zelfstandige huisvesting op termijn aan de orde zijn.
De onderzoekers stellen dat discussies over het aandeel sociale huurwoningen dat aan statushouders wordt toegewezen, niet het volledige effect op de woningmarkt laten zien. Het gaat volgens het rapport ook om huishoudens die extra woningen nodig hebben, en niet alleen om verhuizingen waarbij een bestaande woning weer vrijkomt.
Twee scenario’s voor de komende tien jaar
Voor de periode 2025 tot en met 2034 heeft het EIB twee scenario’s doorgerekend. In het eerste scenario blijft de migratie zich ontwikkelen rond het gemiddelde niveau van de periode 2015-2024. De onderzoekers gaan ervan uit dat de instroom lager uitvalt dan tijdens de hoge migratiejaren 2022, 2023 en 2024, maar dat migratie een belangrijke rol blijft spelen.
In dit scenario neemt de woningvraag door migratie in de komende tien jaar met ongeveer 340.000 woningen toe. De onderzoekers verwachten dat er in deze periode ruim twee miljoen nieuwe migranten naar Nederland komen, terwijl bijna 1,2 miljoen migranten weer vertrekken. Per saldo groeit de groep migranten die in Nederland blijft.
In het tweede scenario wordt uitgegaan van een sterker beperkte migratie, met een jaarlijks migratiesaldo van ongeveer 50.000 personen. In dat geval neemt de aanvullende woningvraag door migratie naar verwachting toe met ongeveer 235.000 woningen.
Het verschil tussen beide scenario’s bedraagt daarmee ruim 100.000 woningen. Het EIB benadrukt dat het om scenario’s gaat en niet om zekere voorspellingen. De uiteindelijke ontwikkeling hangt onder meer af van de migratiestromen en het effect van beleid.
Asielmigratie wordt naar verwachting belangrijker
In het scenario met trendmatige migratie verwachten de onderzoekers dat asielmigratie de grootste bijdrage levert aan de aanvullende woningvraag. Dat komt onder meer doordat een groot deel van de statushouders in Nederland blijft en hun behoefte aan zelfstandige woonruimte kan toenemen naarmate zij langer hier wonen.
Jongeren kunnen bijvoorbeeld op latere leeftijd zelfstandig gaan wonen. Ook gezinsvorming en scheidingen kunnen ertoe leiden dat meer woningen nodig zijn. Arbeids- en kennismigranten verlaten Nederland daarentegen relatief vaak weer, waardoor hun woningvraag zich minder sterk opstapelt.
Bij het scenario met beperkte migratie is aangenomen dat vooral de instroom van asielmigranten afneemt. Ook de instroom van andere groepen migranten wordt in dat scenario teruggedrongen. Het EIB merkt op dat het bereiken van een jaarlijks migratiesaldo van 50.000 personen in historisch perspectief een ambitieuze doelstelling is.
Woningbouw blijft nodig, maar de vraag kan veranderen
Volgens het EIB wordt de toekomstige woningvraag niet alleen bepaald door migratie, maar ook door veranderingen in de samenstelling van huishoudens. De gemiddelde huishoudensgrootte neemt naar verwachting verder af, al gaat dat minder snel dan in eerdere jaren. Daarnaast speelt mee dat de Nederlandse bevolking zonder immigratie naar verwachting zou krimpen, omdat het aantal sterfgevallen inmiddels hoger ligt dan het aantal geboorten.
Het instituut verwacht dat de woningvraag op middellange termijn hoog blijft. Dat komt onder meer doordat mensen die nu in opvang verblijven mogelijk later een zelfstandige woning nodig hebben en doordat jongeren die zelfstandig willen wonen niet altijd direct woonruimte kunnen vinden.
Op langere termijn kan de woningvraag volgens het rapport minder sterk worden, zeker wanneer migratie daadwerkelijk wordt beperkt. Dat heeft gevolgen voor grote woningbouwprojecten die pas over langere tijd woningen opleveren. Het EIB pleit daarom voor terughoudendheid bij grote investeringen die pas op lange termijn resultaat geven.
Tegelijkertijd stelt het instituut dat de woningnood richting 2030 een belangrijk probleem blijft. Oplossingen die op korte termijn extra woningen opleveren, zijn volgens het rapport daarom van groot belang.
Bron: Economisch Instituut voor de Bouw (EIB), Migratie en de woningmarkt, oktober 2026. De genoemde aantallen voor de toekomst zijn scenario-uitkomsten en geen vaststaande voorspellingen.

