Bewoners trekken haalbaarheid bedrijventerrein Barrepolder in twijfel: “Hoeveel ruimte blijft er echt over?”
Foto: behoud_barrepolder_
GROENENDIJK / ALPHEN AAN DEN RIJN – Het Dorpsoverleg Groenendijk en in- en omwonenden van de Barrepolder vragen de gemeente Alphen aan den Rijn om opnieuw kritisch te kijken naar de plannen voor een bedrijventerrein in de polder. Volgens de bewoners is de beschikbare ruimte aanzienlijk kleiner dan de veelgenoemde 55 hectare doet vermoeden. Zij wijzen op bestaande woningen, milieubeperkingen, leidingen, infrastructuur en de gevolgen voor de leefomgeving. In een brief aan het college van burgemeester en wethouders, gedateerd 23 oktober, vragen zij om actief betrokken te worden bij het verdere onderzoek naar de toekomst van het gebied.
De gemeente sprak eerder een voorkeursrichting uit waarin bedrijvigheid en werkgelegenheid centraal staan. De haalbaarheid van twee scenario’s, met ruimte voor bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 of 4.1, wordt nader onderzocht. De bewoners willen dat daarbij niet alleen naar economische mogelijkheden wordt gekeken, maar ook naar de bestaande waarden van de polder en de belangen van omwonenden.
55 hectare is niet hetzelfde als uitgeefbare bedrijfsgrond
De Barrepolder is ongeveer 55 hectare groot. Volgens de bewoners betekent dat echter niet dat die oppervlakte volledig kan worden ingericht als bedrijventerrein. Zij verwijzen naar de gemeentelijke verkenning uit maart 2024 en een daaropvolgende scenariostudie, waarin verschillende ruimtelijke en milieutechnische beperkingen worden beschreven.
Zo liggen er woningen midden in het gebied en zijn er onder meer watergangen, waterkeringen, ondergrondse leidingen, de HSL-tunnel en een molenbiotoop. Ook spelen geluid-, geur- en risicocontouren een rol. Daarnaast zijn er bestaande bedrijven, monumentale waarden en beperkingen door spoor- en verkeersinfrastructuur.
Volgens de bewoners stapelen die belemmeringen zich op en kunnen ze elkaar overlappen. Daardoor is het volgens hen belangrijk om onderscheid te maken tussen de totale oppervlakte van de polder, de ruimte die in een scenario voor ontwikkeling wordt gereserveerd en de grond die uiteindelijk daadwerkelijk uitgeefbaar is.
In hun analyse noemen zij een eerdere inschatting van ongeveer 10 tot 12 hectare werkelijk bruikbare bedrijfsruimte. Zij benadrukken dat dit geen officieel vastgesteld gemeentelijk cijfer is, maar een eigen, voorzichtige benadering op basis van de bekende beperkingen.
Twee scenario’s, verschillende mogelijkheden
In de scenariostudie worden twee mogelijkheden voor bedrijvigheid onderzocht. Scenario 4a gaat uit van een bedrijventerrein met bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.1. Daarvoor wordt gerekend met ongeveer 13 hectare ontwikkelruimte. Volgens de bewoners biedt dit scenario geen ruimte voor bedrijven in de hogere milieucategorieën.
Scenario 4b gaat uit van bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 4.1. Hiervoor wordt ongeveer 16,5 hectare ontwikkelruimte genoemd. Ook dat cijfer betekent volgens de bewoners niet dat er 16,5 hectare vrij uitgeefbare bedrijfsgrond beschikbaar is. Er moet immers rekening worden gehouden met woningen, milieuzones, water, ontsluiting, landschappelijke inpassing en bestaande functies.
Vooral de mogelijkheden voor bedrijven in de hogere milieucategorieën baren de bewoners zorgen. Volgens hun analyse is er voor categorie 4.1 slechts op enkele plekken ruimte. Voor categorie 4.2 zou die ruimte vooral op grond van Heineken liggen, waarbij ook de molenbiotoop beperkingen oplevert.
Dat is volgens hen een belangrijk aandachtspunt, omdat er regionaal juist behoefte is aan ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën. De bewoners vragen de gemeente daarom inzichtelijk te maken hoeveel netto uitgeefbare grond daadwerkelijk geschikt is voor bedrijven vanaf categorie 4.1.
Financiële haalbaarheid en grondverwerving
Ook de financiële haalbaarheid van een nieuw bedrijventerrein staat volgens de bewoners ter discussie. In scenario 4b moet grond worden verworven om voldoende aaneengesloten ruimte voor bedrijven te kunnen maken. De gronden zijn volgens de analyse versnipperd in particulier bezit en deels al in gebruik.
Daarnaast is een zuidelijke ontsluiting via het terrein van Heineken van belang. De scenariostudie concludeert volgens de bewoners dat scenario 4b financieel negatief uitvalt, doordat kosten voor onder meer grondverwerving en ontsluiting hoger zijn dan de opbrengsten.
De bewoners willen daarom weten of de economische opbrengst van het terrein voldoende opweegt tegen de financiële kosten en de ruimtelijke, maatschappelijke en milieugevolgen. Volgens hen moet die afweging helder zijn voordat de oppervlakte van de polder als argument voor ontwikkeling wordt gebruikt.
Zorgen over verkeer op de Rijndijk
Een belangrijk knelpunt is de bereikbaarheid van het gebied, met name voor vrachtverkeer. In de recente scenarioanalyse wordt een zuidelijke ontsluiting langs het terrein van Heineken als randvoorwaarde genoemd. Ook in de stukken over het geplande 150/50kV-elektriciteitsstation wordt volgens de bewoners uitgegaan van een route via het terrein van Heineken richting de Burgemeester Smeetsweg, en niet via de Rijndijk.
De Rijndijk is volgens de brief een intensief bewoonde omgeving waar veel kinderen wonen en zich verplaatsen. De bewoners vinden de weg daarom niet geschikt als ontsluiting voor extra zwaar vrachtverkeer dat bij een bedrijventerrein hoort.
Zij vragen de gemeente welke garanties er bestaan voor een volwaardige zuidelijke ontsluiting. Daarbij speelt mee dat deze route afhankelijk is van de verdere ontwikkeling van het gebied en de medewerking van Heineken.
Stapeling van ontwikkelingen in hetzelfde gebied
De discussie over het bedrijventerrein staat volgens de bewoners niet op zichzelf. In de onderzochte scenario’s wordt ook rekening gehouden met een mogelijke uitbreiding van Heineken en de komst van een 150/50kV-elektriciteitsstation. Daarnaast bepalen onder meer de HSL-infrastructuur, leidingen, het spoor en de N11 de mogelijkheden in het gebied.
De bewoners vrezen dat verschillende industriële en infrastructurele ontwikkelingen zich daardoor in dezelfde omgeving concentreren. Dat kan volgens hen leiden tot extra verkeersbewegingen en druk op de leefomgeving.
In de gemeentelijke verkenning uit 2024 wordt volgens de bijlage ook de zorg genoemd dat Groenendijk en de Barrepolder het ‘afvoerputje’ van Alphen aan den Rijn zouden worden. Dat is geen vastgestelde conclusie, maar geeft volgens de bewoners wel aan hoe sommige betrokkenen de verdeling van de lasten ervaren.
Zij vinden dat de gemeente bij verdere besluitvorming duidelijk moet maken hoe de belangen van bewoners en ondernemers worden meegewogen en hoe wordt voorkomen dat de gevolgen van verschillende ontwikkelingen onevenredig op één gebied drukken.
Vragen over vergunningen voor woningen
De bewoners brengen ook de vergunningverlening voor woningen in het gebied ter sprake. Volgens de gemeentelijke verkenning zijn in 2021 twee omgevingsvergunningen verleend voor in totaal acht woningen. De woningen waren op het moment waarop de gebiedskaart werd opgesteld nog niet in de digitale planologische informatie verwerkt.
Dat roept volgens de bewoners vragen op, omdat de Barrepolder al langer als mogelijke ontwikkellocatie in beeld was. De ambities gaan terug tot de Samenwerkingsovereenkomst Oude Rijnzone uit 2008. Vanaf 2014 werd de polder als zoekgebied aangewezen en in 2020 dienden grondeigenaren opnieuw een verzoek tot ontwikkeling in.
De bewoners stellen niet dat de vergunningverlening daarmee automatisch juridisch onjuist was. Zij willen wel weten hoe de gemeente de vergunningen achteraf beoordeelt in het licht van de toen al bestaande plannen en ambities. Volgens hen is het belangrijk dat de overheid zorgvuldig en consequent handelt en bewoners duidelijkheid geeft over de mogelijke gevolgen van planologische keuzes.
Bewoners willen meer dan alleen geïnformeerd worden
In hun brief reageren de bewoners op de voorkeursrichting die het college op 17 juli aan in- en omwonenden heeft meegedeeld. Volgens die brief wilde de gemeente het besluitvormingsproces zorgvuldig en transparant doorlopen, de benodigde informatie in oktober compleet hebben en de participatie met belanghebbenden voortzetten.
Voor de bewoners betekent participatie niet alleen dat zij op de hoogte worden gehouden. Zij willen actief informatie kunnen aanleveren, deelnemen aan gesprekken en meedenken over de inrichting van het gebied.
Hun voorkeur gaat uit naar een inrichting die aansluit bij de huidige waarden van de Barrepolder. Zij willen onderzoeken welke vormen van bedrijvigheid eventueel wel met die waarden en met een leefbare omgeving te combineren zijn. Als voorbeelden noemen zij recreatieve bedrijvigheid en agrarische activiteiten ten behoeve van Heineken.
Daarmee sluiten de bewoners niet bij voorbaat iedere economische activiteit uit. Zij vragen vooral om een bredere afweging, waarin niet uitsluitend de uitbreiding van bedrijvigheid centraal staat.
Gemeenteraad moet nog een keuze maken
Het college heeft in juli 2026 aangegeven de haalbaarheid van scenario’s 4a en 4b verder te willen onderzoeken. Circulariteit, leefbaarheid en groene inpassing zijn daarbij als voorwaarden genoemd. Volgens de bijgevoegde analyse is er nog geen definitieve keuze van de gemeenteraad voor een van beide scenario’s.
De gebiedsvisie wordt verder uitgewerkt. Daarbij worden onder meer verkeer, ecologie, landschap, duurzaamheid, economie, energie en water onderzocht. De bewoners vinden dat dit onderzoek ook duidelijkheid moet geven over het werkelijke netto oppervlak aan uitgeefbare bedrijfsgrond, de mogelijkheden voor hogere milieucategorieën, de verkeersontsluiting en de financiële haalbaarheid.
De brief is gericht aan het college van burgemeester en wethouders, met een afschrift aan de gemeentelijke griffie en de raadsleden.
De centrale vraag van de bewoners is daarmee niet hoeveel hectare de Barrepolder op papier beslaat, maar welke ontwikkeling binnen de bestaande beperkingen daadwerkelijk haalbaar en verantwoord is. Zij willen dat de gemeente niet alleen de economische opbrengst, maar ook de gevolgen voor de leefomgeving en de verdeling van lasten meeweegt voordat een definitief besluit over de toekomst van de polder wordt genomen.

