Als ik voor één dag een tovenaar kon zijn

Er was eens, in een land hier niet zo ver vandaan, een stadje aan de Rijn. Het heette Alphen aan den Rijn. Ooit was het een betrekkelijk rustig stadje met weilanden, sloten, winkelstraten en mensen die elkaar nog gewoon gedag zeiden. Maar naarmate de jaren verstreken, kwamen er steeds meer plannen, nota's, beleidsstukken, projectgroepen, onderzoeken, werkgroepen en natuurlijk rekenmodellen. En zo gebeurde het dat de inwoners op een dag wakker werden en ontdekten dat bijna alles tegenwoordig een plan was. Een plan voor woningen, een plan voor verkeer, een plan voor duurzaamheid, een plan voor jeugdzorg, een plan voor financiële fitheid en zelfs plannen voor plannen. Het enige wat nooit helemaal in het plan leek te passen, was de rekening.
Op een avond zat ik thuis met een kop koffie en dacht ik: als ik nu toch eens voor één dag een tovenaar kon zijn... Niet voor altijd, want zelfs een tovenaar heeft grenzen. Eén dag leek mij meer dan genoeg. Ik pakte mijn denkbeeldige toverstaf, keek naar Alphen en sprak mijn eerste spreuk uit: “Abracadabra... betaalbare woningen!” Met een enorme knal verdwenen alle stapels beleidsnota's over woningbouw. Daarvoor in de plaats verschenen duizenden betaalbare woningen. Niet over tien jaar, niet nadat eerst nog een visie, participatietraject, uitvoeringsprogramma en gebiedsagenda was opgesteld, maar gewoon: huizen. Voor starters, gezinnen, ouderen en jongeren die nu nog noodgedwongen bij hun ouders wonen. Ik zag een jongen van 24 voor het eerst de sleutel van zijn eigen voordeur omdraaien. Zijn moeder stond naast hem en huilde. Niet omdat ze eindelijk van hem af was, maar omdat haar zoon eindelijk een eigen plek had. Eén spreuk gelukt.
Daarna keek ik naar de gemeentelijke belastingen. Ik zag OZB, afvalstoffenheffing en rioolheffing voorbij vliegen. Ik hoorde een inwoner zeggen: “Hoe moet ik dit allemaal nog betalen?” Ik zwaaide met mijn toverstaf en riep: “Belastingen omlaag!” Poef. De aanslagen werden kleiner. De gemeentelijke boekhouders kregen spontaan hoofdpijn, maar de inwoners sliepen die nacht een stuk rustiger. Ik dacht: zo moeilijk kan het dus zijn. Vervolgens kwam de zero-emissiezone voorbij. Ik zag ondernemers rekenen, bestelbusjes vervangen, laadmogelijkheden zoeken en zich afvragen wie uiteindelijk de rekening betaalt. Ik hief mijn toverstaf opnieuw en sprak: “Laat regels logisch zijn!” Poef. Geen onnodige bureaucratie, geen regels waarvan niemand meer precies weet waarom ze ooit bedacht zijn, maar wel aandacht voor schonere lucht én voor de ondernemers die iedere dag hun brood moeten verdienen. In mijn sprookjesland hoef je namelijk niet te kiezen tussen gezond verstand en een gezonde stad.
Toen liep ik verder en kwam ik bij de grote gemeentelijke projecten. Ik zag miljoenenbedragen voorbij komen. Eén miljoen, vijf miljoen, tien miljoen, tientallen miljoenen. En ergens hoorde ik een bekende stem zeggen: “Het valt iets duurder uit dan verwacht.” Ik draaide mij om en vroeg: “Hoeveel?” Het antwoord begon met het woord dat in gemeenteland vaak voorafgaat aan een bedrag waarvan je eerst even moet gaan zitten: “Nou...” Ik zwaaide met mijn staf en sprak: “Maak iedere euro zichtbaar!” Vanaf dat moment moest iedere inwoner kunnen zien wat iets oorspronkelijk zou kosten, wat het uiteindelijk gaat kosten, waarom het duurder is geworden, wie het besluit heeft genomen, wie het financiële risico draagt en wat het project uiteindelijk oplevert. En vooral: wanneer stoppen we als iets niet meer werkt? Want in mijn sprookjesland hoeft niemand zich te schamen om te zeggen: “Dit was geen goed idee.” Sterker nog, dat zou misschien wel een van de meest verstandige zinnen zijn die een bestuurder kan uitspreken.
Daarna liep ik het gemeentehuis binnen. Daar gebeurde iets merkwaardigs. Het gebouw was bepaald niet leeg. Integendeel. Er liepen ambtenaren rond met stapels papier, beleidsstukken en nieuwe plannen. Eén ambtenaar zei: “We moeten hiervoor eerst een werkgroep oprichten.” Ik zwaaide met mijn staf: “Nee.” Poef. De werkgroep veranderde onmiddellijk in een oplossing. Een andere ambtenaar zei: “We moeten eerst een onderzoek laten uitvoeren.” Ik knikte en zei: “Prima. Maar daarna doen we er ook daadwerkelijk iets mee.” Poef. De aanbevelingen werden automatisch uitgevoerd. Toen kwam iemand binnen met een nieuw beleidsprogramma: Financieel Fit. “We willen inwoners helpen die moeite hebben om rond te komen,” zei hij trots. “Heel mooi,” zei ik. “Maar eerst...” Ik hief mijn toverstaf en sprak: “Maak de gemeente zelf financieel fit.” Het werd opvallend stil in de kamer. Want misschien is dat wel de moeilijkste spreuk van allemaal. Niet inwoners leren hoe ze met geld moeten omgaan, maar als overheid eerst zelf kritisch naar iedere euro kijken. Hebben we dit echt nodig? Kan het goedkoper? Moet het nu? Wat levert het op? En durven we ook ergens nee tegen te zeggen?
Ik liep vervolgens naar de jeugdzorg. Daar zag ik ouders wachten, kinderen wachten, hulpverleners wachten en dossiers die van het ene systeem naar het andere werden doorgeschoven. Ik zwaaide met mijn staf en sprak: “Geen kind meer tussen systemen!” Poef. De systemen verdwenen en alleen het kind en de hulpverlener bleven over. De hulpverlener kreeg tijd om te doen waarvoor hij of zij eigenlijk was opgeleid: helpen. Daarna ging ik naar het stadhuis. Ik keek omhoog en dacht aan alle verhalen over lekkages, onderhoud en de miljoenen die nodig zijn om problemen die al jarenlang spelen eindelijk goed aan te pakken. Ik hief mijn staf en zei eenvoudig: “Maak het goed.” Poef. Het dak hield het, de muren hielden het en de rekening bleef binnen budget. Dat was misschien wel de makkelijkste spreuk van de dag.
Toen kwam ik bij de Gnephoek. Daar stond een groot bord met daarop duizenden nieuwe woningen. Ik keek naar de grond, de plannen, de bruggen, het aquaduct en de miljoenen die ermee gemoeid zijn. Ik zwaaide met mijn staf en sprak: “Laat iedereen vooraf weten wat het maximale risico is.” Poef. Iedere inwoner kreeg een brief waarin in gewone taal stond wat het project kan kosten, wat er mis kan gaan, hoeveel risico de gemeente loopt en wat er gebeurt als de grondexploitatie tegenvalt. Geen ingewikkelde financiële termen, geen tientallen pagina's kleine letters, maar gewoon eerlijkheid. Ik vond het eigenlijk een prachtige spreuk. Transparantie. Daar heb je soms helemaal geen magie voor nodig. Alleen moed.
Mijn toverdag begon inmiddels aardig op te schieten. Ik liep door Alphen en zag ondernemers, jongeren, ouders, ouderen en mensen die gewoon graag in hun stad wonen. Maar ik zag ook mensen die boos zijn. Omdat woningen onbetaalbaar zijn. Omdat belastingen stijgen. Omdat projecten duurder worden. Omdat plannen blijven liggen. Omdat ze soms het gevoel hebben dat er over hen wordt beslist in plaats van mét hen. Ik keek naar mijn toverstaf en realiseerde mij dat ik met één zwaai alles kon veranderen. Ik kon files oplossen, wachtlijsten wegtoveren, belastingaanslagen verlagen en alle verkeerde besluiten uit het verleden wissen. Maar toen begreep ik iets: zelfs een tovenaar kan het verleden niet veranderen. Wat hij wel kan veranderen, is wat er morgen gebeurt.
Dus liep ik nog één keer naar het gemeentehuis. Ik keek naar het gebouw en sprak mijn laatste spreuk uit: “Luister naar de inwoners.” Er kwam geen knal, geen rook en geen gouden licht. Alleen stilte. En toen gebeurde er iets bijzonders. De inwoners begonnen zelf te praten. Niet tegen elkaar, maar met elkaar. Over woningen, belastingen, verkeer, zorg, veiligheid en de toekomst van hun kinderen. En ineens begreep ik waar het echte probleem misschien wel zit. Alphen heeft misschien helemaal geen tovenaar nodig. Alphen heeft vooral behoefte aan een gemeente die soms gewoon durft te zeggen: “U heeft gelijk.” “Dit hebben we verkeerd ingeschat.” “Dit project wordt te duur.” “Dit plan werkt niet.” “We stoppen ermee.” En misschien nog wel het belangrijkste: “Uw geld is niet ons geld. Het is uw geld dat wij tijdelijk mogen beheren.”
Toen sloeg de klok twaalf uur. Mijn toverdag was voorbij. De toverstaf verdween, de miljoenen verdwenen niet en ook de problemen verdwenen niet allemaal. Maar toen ik de volgende ochtend wakker werd, lag er een brief op mijn deurmat. Er stond maar één zin op: “Beste inwoner, we gaan het vanaf nu anders doen.” Ik glimlachte. Want misschien was het dan toch geen sprookje. Misschien was het gewoon een begin.
En dan komt nu misschien wel het moeilijkste moment van dit verhaal. Dit is mijn allerlaatste column. Na alles wat ik heb geschreven, onderzocht, bekritiseerd en soms met een flinke dosis sarcasme van commentaar heb voorzien, leg ik mijn pen neer. Niet omdat er geen onderwerpen meer zijn. Integendeel. Alphen zal ongetwijfeld nog jarenlang genoeg stof leveren voor columns. Maar iedereen heeft uiteindelijk een moment waarop hij moet zeggen: nu is het genoeg.
Daarom wil ik deze laatste column niet eindigen met boosheid, maar met een wens. Ik hoop oprecht dat het goed zal gaan met Alphen aan den Rijn. Dat er betaalbare woningen komen voor onze kinderen en kleinkinderen. Dat inwoners zich gehoord voelen. Dat gemeentelijk geld zorgvuldig wordt besteed. Dat bestuurders fouten durven toegeven en ervan leren. Dat ondernemers ruimte krijgen om hun werk te doen. Dat mensen die hulp nodig hebben die hulp ook daadwerkelijk krijgen. En bovenal hoop ik dat we elkaar niet kwijtraken in alle discussies, plannen, cijfers en politieke tegenstellingen.
Misschien bestaat de echte toverstaf helemaal niet. Misschien zijn er geen spreuken waarmee je in één klap alle problemen kunt oplossen. Maar er bestaat wel iets dat minstens zo krachtig is: eerlijkheid, gezond verstand, luisteren naar elkaar en de moed om soms gewoon te zeggen dat iets anders moet.
Ik wens alle inwoners van Alphen aan den Rijn het allerbeste toe. Zorg goed voor elkaar, blijf kritisch, blijf vragen stellen en blijf vooral betrokken bij de stad waarin we allemaal leven.
En wie weet...
Misschien wordt het sprookje van Alphen ooit toch werkelijkheid.
Eind goed, al goed.
Xaverio.

